Wachten tot het leuk wordt

Als ik uit mijn hobbelpaard wil, moet iemand me eruit tillen. Dat gebeurt niet. Ik beweeg het paard. Niet te wild, want dat maakt teveel geluid. Het moet stil zijn in de kamer. Behalve de klok, die mag wel geluid maken. Dat doet hij dan ook. Steeds maar tikken. En als hij slaat, slaakt hij eerst een zucht. Vermoeid, alsof hij zelf ook geen zin heeft in zijn eigen zware bimbam.

Mijn hobbelpaard is van hetzelfde hout als de boekenkast, daarom zit ik ernaast. Aan mijn andere kant staat de bank, die dezelfde kleur heeft als mijn jurk. Die heeft mijn moeder gemaakt en mijn maillot heeft ze erbij gekocht. Ik mag niet meer zeggen dat die prikt, want dan wordt ze boos. Mijn maillot kleurt bij het vloerkleed. Ik pas netjes in de huiskamer. Mijn moeder draagt geen kleuren die in de kamer voorkomen. Ik denk dat zij dat niet hoeft.

Ze zit op de bank. Ze haakt. Af en toe zucht ze. Ik weet niet waarom, want ze zegt niets. Dat is ook beter. Als ze praat begint het meestal wel lief, maar vroeg of laat gaat ze schreeuwen. Dan trekt haar gezicht helemaal in elkaar en ziet ze er zo eng uit dat ik misselijk word.

Alleen als mijn broer er is, moet mijn moeder lachen. Dat doet ze niet als ze met mij is, want ik ben altijd vervelend. Ik wil nooit doen wat zij wil. Ik ben nooit rustig en stil. Al heb ik nu al heel lang niets gezegd. Ik ben vervelend, dat zegt ze vaak. Ik doe mijn best geen geluid te maken. Misschien word ik zo lief.
Ik draai me naar de muur waar de klok aan hangt. Straks slaat die heel veel keer. Dan komt mijn broer thuis van school. Donker hout, glimmende wijzers. De kleine lijkt op een vogel, de grote op een tak. Alleen de tak zie je bewegen, met kleine schokjes. De kleine beweegt alleen als ik er niet naar kijk. Dan is die plotseling weer wat opgeschoven. De wijzers wonen op een kast met daaronder een klepel die heen en weer beweegt. Die zorgt voor het tikken. Ik wil mijn hobbelpaard net zo snel bewegen als de klepel.


“Niet doen!”
De stem van mijn moeder is als een ontploffing. Ik was even vergeten dat ik stil moest zijn en alleen zachtjes mocht bewegen. Mijn moeder kijkt me woedend aan. Ik bevries in haar blik. Ze wil me kwaad doen, ik voel het. Roerloos kijk ik naar haar gezicht, ik probeer een teken te vinden, iets dat verraadt dat ze gaat schreeuwen. Of erger.
Nee.
Een moment later gaat ze verder met haken. Ik adem weer, zo geluidloos als ik kan.

Ik zag laatst een tekenfilm over een meisje met lange haren. Ik heb ook lang haar, maar minder mooi. Het meisje had heel veel vrienden en een echte prins hield van haar. Ze was ook vrienden met alle dieren. Ik droom dat ik dat meisje ben. Ik loop door het kleurige wonderland met de knappe prins en zijn paard. Mijn mooie vriendinnen lopen vrolijk lachend om me heen en pakken om beurten mijn hand vast. Vogels landen op mijn schouder en fluiten een liedje speciaal voor mij. Een hond doet gekke kunstjes en maakt me aan het lachen.
Niet lachen! Stil zijn. Straks wordt ze weer kwaad.

Het tikken van de klok. Het zuchten van mijn moeder. Haar nagels tegen de haaknaald. Het geruis van het haakwerk. De tik. De zucht. Een tik. Een zucht. De klok slaat.
Mijn broer komt thuis.

Nu wordt het leuk. Mijn moeder kijkt naar mijn broer. Ze lacht naar hem. Mijn broer ziet het niet. Hij lacht naar mij en knuffelt me. Dan tilt hij me uit mijn hobbelpaard.